Vechtscheiding. Wat we doen, doen we meer.

Vechtscheiding. Wat we doen, doen we meer.

[vc_row][vc_column][vc_column_text]Ik vraag me iets af. Ik vraag mij af hoeveel van de vechtscheidingen oplossen als wij als hulpverlening geen podium bieden waar ze op kunnen vechten. Misschien ben je nu verontwaardigd, denk je aan alle kinderen die de grootste slachtoffers zijn van 2 ouders die elkaar ‘afmaken’. Terecht dat je verontwaardiging voelt. Ik weet ook niet of mijn vraag levensvatbaar is. Maar ik sta mezelf toe deze wel af te vragen.

Vechtscheidingen. Een situatie waar 2 mensen die ooit van elkaar hielden en samen besloten kinderen op deze wereld te zetten, elkaar demoniseren. Er alles aan doen om de ander de ‘bad guy’ te laten zijn. Een situatie die boven alles, onvoorstelbaar beschadigend is voor de kinderen die onderdeel uitmaken van het vechtscheidings toneel. Waar ik de focus op wil leggen, is op de vraag in hoeverre de hulpverlening deze ouders wellicht een podium bieden? Onbedoeld. Concreet; elke dag krijgen jeugdhulpverleners vele, vele mails van vechtende ouders. De ene nog lelijker dan de ander. En altijd is er in hun perceptie een ‘schuldige’. Onderbouwd door hun eigen geloofsysteem. We zien wat we geloven.
De hulpverleners die ik ken en waarmee ik werk, zijn allemaal geschoold in meervoudig partijdig zijn. Ze laten zich niet zo makkelijk in een spagaat manoeuvreren. Zijn getraind in ouders op te dragen de andere ouder te cc’en in de mail. Doen ze dat niet, nemen ze de mail slechts voor kennisgeving aan. Maar mijn punt is dat ik nieuwsgierig ben hoe het verloop van een vechtscheiding zou zijn als de hulpverlening zich afzijdig zou houden. Ook geen toeschouwer is of mediator maar simpelweg ouders ‘tijdelijk’ in hun sop laten gaarkoken. Hen hun eigen verantwoordelijkheid laten nemen. Een stem in mij sputtert onmiddellijk; ‘Dat kun je niet doen. De kinderen!”. I get it. Dit is exact de reden waarom de hulpverlening zo lang doorgaat. Omwille van de kinderen. Omwille van hun welzijn. Maar eerlijk; ik vraag me af of we de kinderen er werkelijk écht mee helpen? Doordat de hulpverlening er wil zijn omwille van de kinderen, creëren we met elkaar de arena waarin de gevechten kunnen plaatsvinden. En zijn wij gewillige, edoch onbedoelde, toeschouwers. En heel soms vechten we mee in een parallel proces. Want eerlijk is eerlijk. Stiekem hebben we immers een hele lichte voorkeur voor die ene ‘winnaar’. Ouders zijn erop gespitst in die nuance uit te zoeken voor wie we nu die voorkeur hebben. Ook al denken en zeggen wij dat we die niet hebben. We vinden meestal wel degelijk wat. We vinden wat van de agressieve, schreeuwende vader die zijn geld inzet om macht te behouden. En ook vinden we het een en ander van de passief agressieve moeder die de kinderen als schild gebruikt en daarmee de boel manipuleert. Kort door de bocht, weinig genuanceerd en klassiek. Maar wat zou er nu gebeuren als er geen publiek meer is? School die zich richt om op school een veilige haven te creëren voor de kinderen, jeugdhulpverleners die zich niet met de ouders bezighouden maar een vangnet uitzetten voor de kinderen om zoveel mogelijk uit de vechtarena te ‘ontsnappen’. En terwijl ik dat schrijf, realiseer ik me dat we alleen de kinderen bereiken via de ouders. Loyaal als ze zijn. Dilemma.
In hoeverre kunnen we ouders die in een vechtscheiding liggen, nog eigen verantwoordelijkheid laten dragen? In hoeverre zijn ze als dusdanig ondergedompeld in hun eigen – ontstane – psychopathologie dat ze überhaupt nog metapositie kunnen innemen om zichzelf van bovenaf te bezien? Ik heb er geen antwoord op. Wat ik wel weet is dat ons probleemoplossend vermogen best groot is. Dat de tijd soms ook zijn werk doet en dat op jezelf teruggeworpen worden, in sommige omstandigheden een beste leerschool is. Maar ja, de kinderen.

Wat als wij hulpverleners nu eens niet meer reageren op alle, meestal pagina’s lange mails, geen interventies meer plegen die bedoeld zijn om destructieve patronen te doorbreken? Wat als wij hulpverleners nou eens even op onze handen blijven zitten, op onze lip bijten en ons focussen op het welzijn van de kinderen.


Wat zou er gebeuren?

Ik weet het oprecht niet. Ik stel voor, bij wijze van proef, dat ouders zodra ze aan het begin staan van een vechtmodus, verplicht Kinderen uit de Knel laten volgen. Echt aan het begin van die vechtmodus. Want als ze eenmaal vechten, gaan ze door. Want zo werkt dat; wat we doen, doen we meer. Anders is het voor niets geweest. Zodra we de signalen van ‘vechten’ oppikken trekken alle hulpverleners, advocaten, mediators enzovoort zich terug, en zijn alle ogen gericht op Kinderen uit de Knel. Niets vrijblijvend. Verplicht. Zou dat mogelijk zijn? Ahhhh het volgende dilemma; in een vrijwillig kader kunnen we ouders tot niets verplichten *Diepe Zucht*.

[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Professioneel en ervaringsdeskundig

Professioneel en ervaringsdeskundig

Ik lees momenteel het boek van Jill Bolte Taylor ‘My stroke of insight’. Zij is een neurochirurg die op haar 39ste een beroerte krijgt. En dat verandert hoe ze naar het leven, naar mensen en vooral ook naar haar professie kijkt. Haar zeggen; ‘er zijn 2 soorten mensen. Mensen die energie komen brengen zodra ze in de kamer komen, en mensen die energie komen halen. Tijdens mijn herstel had ik vooral mensen nodig die energie komen brengen maar helaas was het ziekenhuis een omgeving waarin mensen vooral kwamen halen. Al die regels, al die procedures. Ik had het veel meer nodig dat iemand naast me zat, mijn hand vasthield en hoop uitstraalde’. Ze besluit; ‘we mogen ons bewust zijn dat we verantwoordelijk zijn voor de keuze ten aanzien van de energie die we meebrengen zodra we in contact zijn met anderen’.

Jill Bolte Taylor moest eerst zelf een beroerte krijgen om zich te realiseren dat in contact zijn met de ander, heilzaam werkt. Ze schrijft inspirerend. En gezegend zijn zij die haar heden ten dagen als neurochirurg aan het bed krijgen. Zij zal haar focus hebben op de verbinding met haar clienten.

ALS OUDER IN DE JEUGDZORG DOORLOOP JE EEN PALET VAN EMOTIES. DE NIEUWSGIERIGHEID EN OPRECHT GEINTERESSEERDE HULPVERLENING KAN DAARIN ‘BIJ BENADERING’ MEEVOELEN.

Al lezende brengt het boek mij bij mijn eigen ervaringen en hoe deze mij beïnvloeden als professional. Is het dankzij of ondanks dat ik een ouder werd in de Jeugdzorg. Geen idee. Wat ik wel weet, is dat het mijn zicht en focus volledig heeft veranderd. De kwetsbaarheid van ouders met een kind die hulp nodig heeft, kunnen we ons als professional voorstellen. Deze écht voelen, is van een andere orde; de mengeling van zoveel emoties. De twijfel, onzekerheid, verbijstering ook. Het is een palet waarin je een nieuwsgierige en oprecht meevoelende hulpverlener kunt meenemen. Maar slechts bij benadering.

Net zoals Jill Bolte beschrijft in haar boek, is tijd een belangrijke factor voordat je de ander kunt meenemen in het proces. Mijn ervaringen als ouder hadden tijd nodig om doorvoelt te worden en zachter te worden. Maar inmiddels heb ik vele hulpverleners ‘ bij benadering’ meegenomen in de kwetsbaarheid en emoties van ouders die zeggen; ‘wij kunnen het niet alleen. Help ons’. Ik neem ze mee in de behoefte van ouders om hun schaamte, verdriet en machteloosheid te mogen uiten. Zonder een beter weten ervoor terug te krijgen. Ik neem ze mee in het verdriet te constateren dat de beste stuurlui aan wal (veelal familie), wel oordelend zijn maar vaak geen idee hebben wat er werkelijk speelt. En hoe alleen dat voelt. Dat ouders de hulpverlening nodig hebben – niet in ze te vertellen wat wel en niet nodig is – maar simpelweg om steun te ervaren.

En dan al die formulieren, lijsten, de vele malen dat je als ouder ergens een handtekening onder zet. Het staat in schril contrast met de mate waarin hulpverleners écht oprecht aandacht en tijd nemen om te vragen hoe het met jou als ouder gaat. Achteraf kan ik me niet eens herinneren dat deze vraag ons ooit gesteld is.

Ik kan volledig meevoelen met Jill Boyle Taylor. Voor veel ouders die om hulp vragen is het zorgsysteem energieslurpend. Zelden brengt het energie. En dat ligt niet

in de eerste plaats aan de individuele hulpverlener. Want een groot deel van hen is betrokken en wil het goede doen. Maar de context waarbinnen dit mogelijk is, is aan banden gelegd door regels, procedures, kaders en wat meer zij. Er lijkt zo weinig ruimte voor oprechte, eerlijke aandacht. Aandacht kost geld. En ook voor de hulpverleners zelf is dit een frustrerend gegeven.

Ik wens de ouders binnen de jeugdzorg hulpverleners toe die naast hen staan, met hun meelopen, vragen of en hoe zij het volhouden én ja, een hulpverlener die hen valideert. Die de ouders laat weten dat zij doen wat ze kunnen. Ik wens de hulpverlening toe dat zij mensen opleiden en vasthouden die zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die ze hebben als het gaat om wat ze aan energie meebrengen. Want kennis en kunde is één maar de inbreng van goede energie is wat mij betreft, alles. En wat mijzelf betreft? Mijn energie bestaat uit het verwerken van de slechte ervaringen om het goede eruit te halen. En het is mijn verantwoordelijkheid als ouder én professional om de lessen die de ervaringen mij laten zien, door te geven en te delen. Met ouders en professionals. Zelfs al ben ik de druppel in die immense oceaan.